Artikelen 2026

Datum publicatie: Juni 2026

200 jaar Turnhoutse speelkaarten

Stefan Lauwers

Toen de redactie van het Bezemklokje me vroeg om een overzicht op te stellen van de geschiedenis van de Turnhoutse Speelkaart was ik zeer vereerd met deze opdracht. Om het gegeven ietwat overzichtelijk te houden, deelde ik deze geschiedenis op in twee hoofdstukken: From Zero to Hero en Playing cards are no islands. Vandaag leest u deel 1.

FROM ZERO TO HERO

Als we Turnhout analyseren als drukkersstad – sommigen gewagen zelfs van de Flanders Printers Valley – dan valt het meteen op dat er in en om de stad geen grondstoffen voorhanden zijn om papier te maken ... Zonder bosontginning, grote rivieren of grote waterkracht is het een waarlijk wonder dat de stad het heeft kunnen schoppen tot onbetwist wereldleider in de productie van speelkaarten. Daarnaast is ze ook nog Europees leider in de kartonverpakkingsindustrie en een héél grote speler op de markt van golfkarton.

Misschien moeten we ons de bedenking maken dat het de goedkope arbeidskrachten zijn geweest die het verschil hebben gemaakt. Dit was uiteraard niet het geval, goedkope arbeidskrachten had men elders ook, zowel in Belgie als in het buitenland.

De mix moet liggen in een doorgedreven politiek van herinvestering van de uit de handel bekomen middelen, het aanboren van nieuwe afzetmarkten, het consequent investeren in de nieuwste technologie om de concurrentie een stapje voor te blijven en … omdat de speelkaartenproducenten op een gegeven moment simpelweg de ideale verhoudingen hebben gevonden tussen kwantiteit (de bulkspeelkaarten) en kwaliteit.

In de oudste staalboeken van de Ets. Brepols en Dierckx Zoon, Ets. Mesmaekers of Ets. Van Genechten enz. vinden we al verschillende gradaties van afwerking van speelkaarten. Een tekening kon gedrukt worden op een goedkope bordkartonnen kaart, maar ze kon ook helemaal opgewerkt worden tot een luxueuze porseleinkaart met een vergulding op snede. Dit gegeven, tesamen met het feit dat men van grote volumes geen schrik had, maakte dat de Turnhoutse speelkaartenmakers al snel eender welke soort van bestelling konden opnemen ...

Het begin was uiteraard nederig, een Pieter Corbeels nam de wijk uit Leuven en vestigde zich met zijn leerjongen, Philippus Jacobus Brepols (Jacques), in de Potterstraat, de huidige Patersstraat. Even later verhuisde hij naar de hoek van de Markt en het Papenstraatje (Baron F. du Fourstraat). Corbeels was

herbergier en stadsdrukker, maar misschien waren hij en Brepols toch niet zo’n ‘simpele’ zielen ... Corbeels drukte vlot in drie talen: Nederlands, Frans en ... Latijn (!!!). Na zijn executie zette zijn weduwe de drukactiviteiten voort, geholpen door Jacques Brepols die haar – met een tegoed voor de tegenwaarde van zo'n anderhalf jaar werk – in 1803 voor 600 gulden uitkocht. Dit geeft aan dat Jacques Brepols ruime financiële mogelijkheden had, midden in de Franse periode waarin de meeste mensen straatarm waren.

Het leven ging zijn gang, en het zou ons te ver leiden om het ganse parcours van Jacques Brepols te schetsen tussen het moment dat hij zich in eigen naam vestigde, het huwelijk van zijn dochter Antoinetta met J.J. Dierckx en het verdere verloop. Laten we maar direct stilstaan bij de brieven die schoonzoon J.J. Dierckx – die in 1833 mee in de zaak stapt – in april en mei 1826 schreef aan twee leveranciers van speelkaarten uit Dinant: Mme. CarezMarsigny en Dhr. Monin.

Op 13 april 1826 schreef hij aan Dhr. Monin: “Je vous souhaite plus de bonheur avec vos autres pratiques qu’avec moi.”, waarmee hij bedoelde dat hij het beu was om aan het lijntje te worden gehouden ... Bijna onmiddellijk daarna, op 21 april 1826, annuleerde hij de bij Dhr. Monin gedane bestellingen.

Op 29 mei 1826 kroop hij weer in zijn pen, en schreef Mevr. CarezMarsigny: “Mijn project om tot bij u te komen was er een dat erop gericht was om me van speelkaarten te voorzien voor het winterseizoen, maar sedertdien heeft de vader van mijn vrouw alhier in onze stad een speelkaartenfabriek opgericht en ik heb er dus goed aan gedaan mijn bestellingen uit te stellen.” (Eigen vertaling)

Zo begon de fabricage van speelkaarten in de zomer van 1826. In augustus 1826 werden wel bestellingen hervat voor sommige soorten kaarten, zowel bij Dhr. Monin als bij Mevr. CarezMarsigny.

Vanaf 1826 eindigde voor Brepols het tijdperk waarin het anonieme speelkaarten kocht bij leveranciers of grootproducenten, om er vervolgens een eigen wikkel rond te draaien en ze als eigen kaarten te verkopen

De zaken gingen min of meer goed al zat de Belgische onafhankelijkheid er stilletjes aan te komen, Brepols’ dochter Antoinetta was getrouwd met J.J. Dierckx, een telg uit een welstellende familie. Jacques Brepols associeerde zich met zijn schoonzoon vanaf 1833.

Net door die associatie beknotte Jacques Brepols – misschien onbewust – de doorgroeimogelijkheden van een andere ambitieuze jongeling, zijn neef Jacques Eduard Glénisson, die ook bij hem in de drukkerij werkte.

Jacques Eduard Glénission ging op zoek naar een betrouwbare zakenpartner en financier voor zijn projecten. Hij vond die in de persoon van – de toen nog jonge – Antoine Van Genechten. Van Genechten was een telg van een kredietverstrekkende familie, een familie die voorheen krediet verstrekte aan ... Brepols.

Ze tekenden hun overeenkomst in december 1833, de ingangsdatum werd bepaald op 1 januari 1834. Zij zouden, net als Brepols, prenten, missalen en dergelijke drukken. Uit deze beginperiode zijn van hen geen echte speelkaarten bekend.

Glénisson en Van Genechten bouwden in 1852 de allereerste stoommachine in Turnhout, wat vrij laat was in de context van de industriële revolutie. In 1855 besloten ze allebei hun eigen weg te gaan.

Onder leiding van Jacques Glénisson, in associatie met zijn zonen, bleef de drukkerij (die ook speelkaarten vervaardigde) actief tot 31 december 1899.

Midden jaren 1850 was het vooral Antoine Van Genechten die ambitieus was en wou inzetten op nieuwe technologieën en mogelijkheden. Zo kocht hij grond aan de 'Dijk' (de oude benaming van de de Merodelei) om een nieuwe drukkerij te bouwen met een uitgang achteraan, recht tegenover het treinstation. Antoine Van Genechten zag duidelijk de mogelijkheden van dit nieuwe vervoermiddel en was er als de kippen bij om juist daar in de buurt te zitten.

Het succes van Brepols en Van Genechten werkte aanstekelijk en inspireerde Gustave Mesmaekers tot het oprichten van een drukkerij. Hij associeerde zich in 1859 eerst met zijn oom, de bruggeling LouisFrançois Moentack, maar toen die het bedrijf verliet in 1862 bouwde hij het bedrijf verder uit met zijn broers, en veranderde de naam in Ets. Mesmaekers Frères.

Andere drukkerijen volgden in een min of meer snel tempo, Leonard Biermans waagde de sprong in 1875 en La Turnhoutoise in 1893. Er waren ook legio andere pogingen die al dan niet succesvol waren, zoals BeersmansPleek, Wellens en Delhuvenne, Poupaert en Van Dooren, MesesGoris, La Belgica ...

De grote drukkerijen doorzwommen vele watertjes en kwamen oorlogen, veranderende afzetmarkten en de meest verschrikkelijke fabrieksbranden terug te boven. Ze bestaan nu veelal nog in één of andere vorm. La Turnhoutoise werd CoPa II na de overname door Brepols in 1958. Ets. Mesmaekers Frères werden in 1968 opgeslorpt en weggesaneerd door de nv Van Genechten.

Enige maanden voor de oprichting van Carta Mundi werd Turnhout het enige overblijvende productiecentrum van speelkaarten in de ganse Benelux, en dit door de overname – op 23 maart 1970 – van de Nederlandse Speelkaartenfabriek (Faddagon) uit Amsterdam.

De drie overgebleven grote producenten (Brepols, Biermans en Van Genechten) bundelden in 1970 hun krachten in Carta Mundi. In 1971 ging de productie op de nieuwe site in de Visbeekstraat van start.

Als sleutelmomenten onthouden we:

1860: De afschaffing van de belasting op speelkaarten in England, Playing Cards Duty. In 1860 werd een nultarief ingevoerd, hierna was het nog wachten tot 1960 vooraleer de belasting echt definitief zou afgeschaft worden. Het wegvallen van deze belasting maakte dat Turnhoutse drukkerijen toegang hadden tot de Engelse kolonies en de bijna onmetelijke Aziatische markt, met het huidige Sri Lanka, India, Pakistan, Bangladesh ...

De heropening van de Nederlandse afzetmarkt die sedert de onafhankelijkheidsverklaring van België in 1830 gedurende bijna 40 jaar gesloten was geweest. Hierdoor kregen de Turnhoutse drukkers ook toegang tot de vele Nederlandse kolonies. Op 15 december 1968 verwierven de Ets. Van Genechten een brevet voor het drukken van Chinese en Japanse schilderingen, en dat waren speelkaartjes die vooral in ZuidoostAzië afzet vonden.

1993: Cartamundi stelt Magic the Gathering voor, een spel dat tevens een technisch hoogstandje was. Het initiële spelletje telde immers 295 (!!!) verschillende kaarten die allemaal in verschillende samenstelling in verschillende doosjes moesten ... De eerste drukgang van 2.600.000 miljoen kaarten was in een mum van tijd uitverkocht, zodat er al in oktober van hetzelfde jaar een tweede drukgang kwam met meer dan 7.000.000 kaarten en ditmaal 302 verschillende kaarten ...

Ook na de oprichting van Carta Mundi werd de expansie voortgezet, en de overname van de Amerikaanse United States Playing Cards Company werd officieel afgerond op 31 december 2019.

Met deze overname kwamen zowat allé wereldmerken in Turnhoutse handen ... Merknamen zoals Congress, Bicycle, TallyHo, Bee, Aviator, Maverick ... die stuk voor stuk klinken als een klok.

Als u ergens hoort dat men in Las Vegas met Turnhoutse kaarten speelt, dan is dat allerminst gelogen! De weg naar het succes was echter lang en niet altijd gemakkelijk.


Datum publicatie: Maart 2026

Het ‘normale’ leven herneemt in de zomer van 1940 

Turnhoutenaar Albert Cavents vertelt (deel 1)

Gil Tack

Inleiding

Van Anne Cavents kreeg ik het geschreven relaas van haar vader Albert over zijn belevenissen na de capitulatie van België in 1940. Van het echtpaar Eric Biddeloo en Ingrid Lenaerts vernam ik bijkomende details over de familie Biddeloo, die de notities van Albert aanvullen en verduidelijken. Het verhaal van Albert Cavents is zeer uitgebreid, leest als een vervolgverhaal en verschijnt daarom in vier ledenbladen. Dit is het eerste deel.

Soldaten keren terug naar huis

Als soldaat had ik vanaf 10 mei 1940 de Achttiendaagse Veldtocht goed doorstaan. Na de capitulatie van België op 28 mei keerde ik vanuit Deinze te voet terug naar Turnhout en kwam op 1 juni zonder moeilijkheden thuis. Dit was vooral te danken aan de Fille, onze klaroen, die me de raad gaf om burgerkleding te dragen, anders zou ik door de Duitsers als krijgsgevangene kunnen worden opgepakt.

     Soldaat Albert Cavents. Familiearchief van Anne en Andrea Cavents. 

Voor de oorlog werkte ik in Turnhout voor het transportbedrijf Biddeloo, gelegen in de Koning Albertstraat. Het bedrijf was gegroeid uit het atelier van Frans (Joannes Franciscus) Biddeloo (°Lichtaart, 9 augustus 1872 - +Turnhout, 21 mei 1928), gevestigd in de Patersstraat op nummer 181. In het atelier werden houten karrenwielen, beslagen met ijzeren banden, vervaardigd. Na zijn overlijden zette zijn weduwe Joanna Antonia Luyckx (°Turnhout, 13 januari 1878 - +Turnhout, 16 juli 1953), door iedereen moeder Biddeloo genoemd, de zaak verder. Ze had zeven kinderen, vijf zonen en twee dochters, waarvan het oudste meisje in het klooster ging. Ze transformeerde de zaak in een transportbedrijf en werd daarin later bijgestaan door haar zonen Emile en Jan. Dit bedrijf beschikte over twee tractors, een viertal open en gesloten opleggers en twee paarden. Het had drie vaste en soms ook enkele losse werknemers in dienst. Voor de oorlog was het een bloeiende zaak waar niet zelden dag en nacht werd gereden om betonblokken aan te leveren voor de wegenaanleg en om de plaatselijke nijverheid te bevoorraden.

Bij mijn thuiskomst hoorde ik dat Jan, samen met Jan Flaes, een van zijn werknemers, al een paar dagen eerder in Turnhout was gearriveerd. Jan trof echter zijn ouderlijk huis in de Patersstraat verlaten aan. Zijn moeder, op dat moment 62 jaar, was op 13 mei 1940 met een groot deel van de familie met de tractor van het bedrijf, een Ford, en de nieuwste oplegger naar Frankrijk gevlucht. 

     Joanna Antonia Luyckx, alias moeder Biddeloo

Het economisch leven komt opnieuw op gang

Door de oorlog was alle economische activiteit bijna volledig stilgevallen,  ook in het transportbedrijf Biddeloo. Na het vertrek van de familie had een buurman in de Patersstraat, de herbergier van café Het Heibloemke bijgenaamd de Rosse Esbol, de nog aanwezige kolenvoorraad van het bedrijf verkocht vanwege de heersende brandstofschaarste. Het daarvoor ontvangen geld gaf hij, opgeborgen in een sigarenkistje, aan Jan Biddeloo. 

De kinderen Biddeloo bij het overlijden van hun moeder Joanna Luyckx in 1953. V.l.n.r. Louis, Emiel, Liza, achteraan een broer van moeder Biddeloo, Gust, Charel en Jan. De oudste dochter, een geestelijke, ontbreekt op de foto.

Het bedrijf lag nu weliswaar stil, maar Jan wilde het zo vlug mogelijk opnieuw opstarten. Hij gebruikte het geld van de kolenverkoop om zich een afgedankte tractor van het merk Minerva aan te schaffen. Oorspronkelijk was deze trekker eigendom van een man uit Mol en daarna gebruikt door de Duivenclub de Witzwing om de duiven uit de buurt naar een losplaats te brengen. Bij de gasfabriek in de Elisabethlei vond Jan een afgedankte oplegger en zo kon hij opnieuw vervoer organiseren. Jan bracht samen met mij en Jan Flaes antracietkolen van bij La Bonne Espérance in Luik naar Turnhout. Kolen bleven immers schaars en de aanvoer met de trein was stilgevallen. De verkoop ervan aan 32 fr./100kg zou dus goed geld opleveren.

De tractor en oplegger waren echter niet in opperbeste staat: de vloer van de oplegger werd door ons opgelapt, maar de tractor viel al tijdens de eerste terugtocht vanuit Luik plotseling stil toen we op een sterk hellende weg reden. Gelukkig kon de oplegger, geladen met 6 à 7 ton kolen, tijdig tegen een paal klem worden gezet. Van dan af moest ik altijd met een zware houten blok op mijn schoot op de kolen in de oplegger zitten om, in geval de motor zou stilvallen, snel de wielen van de oplegger met dat blok te blokkeren.

Nadat we een tijd zo onze plan getrokken hadden, kreeg Jan van een inwoner uit Dendermonde het bericht dat er aan het station in die stad een tractor met oplegger met hun naam en adres op, door het Belgisch leger was achtergelaten. Pas na een heleboel gedoe, omdat zijn moeder de autopapieren had meegenomen op de vlucht, kon Jan eindelijk na 14 dagen hun eigendom - een Studebaker met een 6 cilindermotor van 18 PK op naft - in Dendermonde ophalen. Van dan af kon het kolentransport met een veiligere wagen, die gelukkig niet in legerkleuren overschilderd was, gebeuren. 

Inmiddels was Emile, de broer van Jan, eveneens thuisgekomen. Ook hij wist niet waar zijn vrouw Anna en de rest van de familie zich bevonden. Ze vermoedden dat hun broer Charel, die als oudste niet gemobiliseerd was, mee met de familie gevlucht was. Van de twee andere broers Gust en Louis hadden ze geen nieuws, maar ook hun gezinnen waren niet meer in België aanwezig. 

     Soldaat Jan Biddeloo

Nieuws van de achtergebleven familie

Gelukkig kwam er eindelijk nieuws van de naaste familie uit Espoey, een klein dorpje tussen Pau en Tarbes, in het departement Pyrénées-Atlantiques. Daar waren hun familieleden terechtgekomen: hun moeder en zuster Liza, hun broer Charel en zijn vrouw Jeanne en dochter Clara, de zwangere Anna, echtgenote van Emile met kinderen Staf en Karel, Gusta, de echtgenote van Jan met zoontje Richard, Bertha, de echtgenote van Gust met dochter Leona en tenslotte Joanna, echtgenote van Louis met hun kinderen Eddy, Irene, Annie en Lizette. Emile en Jan vatten het plan op om hen daar op te halen en hen terug naar Turnhout te brengen. Jan begon dus verwoed benzine, die op de bon stond, aan te kopen in het zwart. Dit kon in Antwerpen in een café op het De Coninckplein. Toen hij ongeveer 1000 liter in vaten van 200 liter had verzameld, duidden de broers mij aan om hen naar Frankrijk te vergezellen en werd een vertrekdatum vastgelegd.

Op 23 augustus, een zonnige vrijdag, vertrokken we met de tractor rond het middaguur voor een lange rit. In het midden van de nacht besloten we 60 km voor Parijs een halte te houden. Na de rustpauze zagen we in de Franse hoofdstad de Eiffeltoren. Vervolgens reden we richting Chartres. Langs een smalle asfaltweg bedekt met kiezel bereikten we vervolgens Orléans, een stad waar even voordien een bombardement door de Italiaanse luchtmacht had plaatsgevonden. Voor onze vrachtwagen was er maar weinig manoeuvreerruimte tussen het puin van de ingestorte huizen. Gelukkig konden we aan de oevers van de Loire even de benen strekken. 

Op weg naar Limoges waren we blijkbaar in het duister de demarcatielijn, de grens tussen het bezette en vrije Frankrijk, overgereden. Van een Duitse grenspost herinnerde ik me echter niets. Maar plots brandde er schaarse openbare verlichting in de steden en dorpen en dit gaf ons een veiliger gevoel. Het deed goed om opnieuw in een vrij land te zijn. In Limoges dronken we daarop de eerste Franse wijn.

Toen we daarna richting zuiden door de Landes reden, vertelde Emile over de garage in Mont-de-Marsan, waar hij een tijdje (wanneer juist is niet duidelijk) had gewerkt. Volgens hem deed hij daar het meeste werk, omdat de Fransen meer babbelden dan werkten. 

Zo passeerden we ontspannen de tijd tijdens het rijden. Op dat moment  wisten we gelukkig niet wat ons verder nog te wachten stond. Dit vertelt Albert in deel 2 in het volgende ledenblad.

Tractor met oplegger waarmee de heenreis naar Frankrijk wordt aangevat. Tekening van Albert Cavents. Familiearchief Andrea en Anne Cavents.