Datum publicatie: september 2025
Was opa een held ?
Of hoe een geïdealiseerd verhaal een eigen leven gaat leiden.
Jef Smets
Was opa een held ? is de titel van een boek van Fabrice Maerten (CegeSoma) uitgegeven door Lannoo in 2020. Met de gedetailleerde, praktische informatie in dat boek kan iedereen zelf nagaan of zijn (groot)ouders of andere familieleden aan de ‘juiste’ kant van de geschiedenis stonden tijdens WO II.
Dit bracht mij op het idee om uit te zoeken of mijn grootvader wel die held was die mijn moeder ons altijd beschreef: de heldhaftige soldaat die tijdens WO I in de loopgraven achter de IJzer de Duitsers bevocht en daarbij mosterdgas zou ingeademd hebben waardoor hij te vroeg, op 51-jarige leeftijd, gestorven is.
Mijn grootvader August Smets in het uniform van de 5de Linie. Foto: Familiearchief Jef Smets
Naarmate mijn stamboomonderzoek naar onze ‘roots’ vorderde, kwam ik te weten dat van het verhaal van moeder over grootvader niet veel klopte.
Mijn grootvader is op 6 juli 1885 geboren in Dessel als Victor August Smets, zoon van Maarten Smets en Maria-Theresia Broeckx. Mijn overgrootvader was landbouwer-herbergier en het gezin telde 16 kinderen waarvan een aantal zeer vroeg gestorven zijn. Het gezin woonde in Dessel achtereenvolgens op de Oude Markt 5 en 6, Witgoor 129 en Santvliet 143. In 1892 trekt het volledige gezin naar Arendonk.
Op 5 oktober 1908 trouwt mijn grootvader met Maria Theresia Staes (°Dessel 27 februari 1886) en het gezin woont dan in de Neerstraat in Oud-Turnhout. Later verhuisden zij naar Turnhout. Daar worden geboren: in de Paterstraat, Anna Theresia (3/12/1908); in de Otterstraat, Louis (11/8/1910) en in de Bentelstraat, Jozef (16/6/1914).
In de zomer van 1914 volgen internationale gebeurtenissen elkaar snel op. Een troonopvolger wordt vermoord, ultimatums vliegen heen en weer, oorlog is niet veraf. Op 3 augustus verklaart Duitsland de oorlog aan Frankrijk. Het vraagt vrije doortocht door België. België weigert dit als neutraal land. Duitsland beschouwt dit als een oorlogsverklaring en valt op 3 augustus België binnen langs de oostgrens. Het Belgisch leger probeert zich te verdedigen achter de Luikse fortengordel. De stad Luik valt op 7 augustus en zo ligt de weg naar het binnenland open. De evacuatie van Brussel wordt bevolen. De koninklijke familie, de regering en de overheidsdiensten trekken zich vanaf 17 augustus terug naar het ‘nationale bolwerk’ Antwerpen.
Niet alleen het leger en de elite trekken zich terug, ook gewone mensen slaan op de vlucht en zoeken bescherming in het onneembaar beschouwde bolwerk. Dat bolwerk bestond uit twee fortengordels. De buitenste fortengordel strekte zich uit achter de Rupel, de Grote en Kleine Nete tot de grens met Nederland. De binnenste fortengordel bestond uit 8 Brialmontforten, telkens op ongeveer 2 km van elkaar in een 18 km lange gordel van Wijnegem tot Hoboken.
Foto: G Maes, T., & Muls, J. (2013). Antwerpen 1914: Bolwerk van België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Houtekiet
Op 31 juli 1914 wordt de ‘Algemene Mobilisatie’ uitgeroepen. De klassen van 1901 tot 1909 worden opgeroepen. Mijn grootvader behoorde tot de klasse 1905 en wordt ingelijfd bij de 5de Linie 2de Compagnie Vestingsleger in Antwerpen met stamboeknummer 53194. Hij vecht drie maanden mee bij de verdediging van de Antwerpse fortengordels.
Op 8 oktober wordt de binnenste fortengordel fel beschoten. De oude Brialmontforten zijn niet bestand tegen de Duitse artillerie. In de nacht van 8 op 9 oktober trekken de troepen zich terug. Intussen blijven de obussen genadeloos inslaan op Antwerpen. Samen met duizenden burgers begeven de troepen zich richting Nederland. De militairen leveren hun wapens in, maken hun munitietassen leeg en worden door de Nederlanders naar opvangkampen gebracht. Ze gaan er op dat moment van uit dat de internering een kwestie van hoogstens enkele maanden is, tot het einde van de oorlog. Ze hebben er totaal geen idee van dat ze meer dan vier jaar in Nederland zullen worden vastgehouden.
Mijn grootvader werd op 10 oktober 1914 geïnterneerd en ondergebracht in Kamp Zeist (bij Amersfoort). In Zeist moesten 15.000 mensen onderdak vinden in een kazerne waar maar plaats was voor 4.000 van hen; hier werd een tentenkamp met 900 tenten ingericht. Later werden er nog een tweetal houten barakkenkampen bijgebouwd. De 24 barakken op een oppervlakte van 25 ha werden gescheiden door een brede gang afgezet met prikkeldraad waartussen later sportvelden werden aangelegd.
De huisvesting en hygiënische omstandigheden waren in het begin erg slecht. De tochtige barakken waren zo lek als een zeef, nat stro lag gewoon op de grond, men had veel last van ongedierte en er was een groot gebrek aan bovenkleding en ondergoed (veel soldaten beschikten slechts over de kleding die ze aanhadden). Mijn grootvader heeft hier waarschijnlijk een longziekte opgedaan. Overbevolking en verveling leidden ook tot vechtpartijen en drankmisbruik.
Om die verveling te verdrijven werden naast sportfeesten kaats-, voetbal- en zwemwedstrijden georganiseerd. Ook op cultureel gebied werden activiteiten opgestart: er werden muziekkorpsen, een mandolineclub en een toneelgezelschap opgericht. Vele Belgen verdreven de tijd met de vervaardiging van huisvlijt (o.a. houtsnijwerk en sieraden) dat verkocht werd aan de plaatselijke bevolking. Ook werden scholingsprogramma's opgezet.
Op het einde van de oorlog mochten de geïnterneerden zelfs betaalde arbeid verrichten bij particulieren en bedrijven. Meer dan 40% van hen was op deze manier aan het einde van de oorlog ingeschakeld in het arbeidsproces.
Van 15 april 1918 tot zijn repatriëring naar België verbleef mijn grootvader in Tilburg (Bredaseweg 315). Wat hij daar precies deed is mij niet duidelijk.
Grootmoeder met tante Anna, nonkel Louis en nonkel Jos. Foto: Familiearchief Jef Smets
Op 11 november 1918 was de Grote Oorlog voorbij. Mijn grootvader werd op 19 december 1918 met het Belgische troepentransport naar Antwerpen gebracht. Hier verbleef hij in het TAG 2de Compagnie Depot tot hij op 1 mei 1919 gedemobiliseerd werd.
Mijn grootmoeder Theresia Staes heeft die vier lange jaren moeten overleven met drie kleine kinderen die bij het uitbreken van de oorlog respectievelijk 6, 4 en amper 1 jaar oud waren.
Mijn grootouders hebben nog een tijdje in de Bentelstraat 24 in Turnhout gewoond. Mijn vader, Marcel Smets, is daar op 13 mei 1920 geboren.
Op 13 juli 1921 verhuist het gezin naar een watermolen aan de Molenstraat 115 in Walshoutem bij Landen.
In Houtain-L’Évèque, bij Walshoutem, wordt op 25 augustus 1925 nonkel Fernand geboren.

Links bovenaan: mijn grootmoeder Theresia Staes
Rechts bovenaan: mijn grootvader August Smets
Aan de linkerzijde van mijn grootmoeder: mijn tante Anna
Schuin voor mijn grootvader: mijn nonkel Louis
Voor nonkel Louis: mijn nonkel Jos
Dat mannetje met zijn vingers in de neus: mijn vader Marcel.
Foto: Familiearchief Jef Smets
Heel het gezin verhuist dan weer op 16 augustus 1927 naar de Prinsessenstraat 18 in Turnhout. Mijn grootvader werkt dan als koetsier bij de familie Sak in de Begijnenstraat in Turnhout.
Sinds zijn internering in Nederland leed mijn grootvader aan een longziekte. Hij sterft op 15 mei 1936. Hij is dan amper 51 jaar. Mijn grootmoeder blijft achter met vijf kinderen en moet noodgedwongen gaan ‘dienen’ bij de Familie Cremers op de de Merodelei.
August Smets als koetsier in dienst van de familie Sak aan het kasteel in Turnhout. Foto: Familiearchief Jef Smets
JA, ik vind dat mijn grootvader EN mijn grootmoeder helden waren !
Bronnen
• G Maes, T., & Muls, J. (2013). Antwerpen 1914: Bolwerk van België tijdens de Eerste
• Wereldoorlog. Houtekiet.
• Archief van het Ministerie van Defensie, Brussel
• Archief van de Nationale Strijdersbond, Brussel
• Belgische Rode Kruis, Brussel
• Gemeentelijk Archief, Dessel
• Wielinga, M. (z.d.). De internering van Belgische, Engelse en Duitse militairen in
• Nederland 19141918.
• https://www.wereldoorlog1418.nl/vluchtelingen/militairenvlucht
• Kunst en erfgoedcentrum Hofke van Chantraine, OudTurnhout
• Regionaal Archief, Tilburg
• Stedelijk Archief, Landen
• Stedelijk Archief, SintTruiden
Datum publicatie: juni 2025
Turnhout en de RWZI (RioolWaterZuiveringsInstallatie)
Ronny Crols en Rita Dries met dank aan Ria en Luc Cuynen en Leo Maes
Vandaag worden in Vlaanderen de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) beheerd door de nv Aquafin. Aquafin bouwt en beheert de infrastructuur voor de zuivering van rioolwater volgens de 11 rivierbekkens die Vlaanderen telt. Een hiervan is het Netebekken waarop de zuiveringsinstallatie van Turnhout geënt is. Nog niet zo lang geleden bouwde en beheerde de stad Turnhout een van de modernste rioolwaterzuiveringsinstallaties van België. De eerste toezichter op deze werken en op deze installatie was Karel Cuynen.
Het Bezemklokje ging op bezoek bij Luc en Ria Cuynen, twee van de drie kinderen van Karel Cuynen (+26/01/2025). Hun zoon Bart was die avond niet vrij. Karel woonde in het WZC Sint-Lucia en zijn kinderen vertellen ons graag zijn en hun verhaal.

v.l.n.r.: Karel, Bart, Luc, Ria en Elvire. Familiefoto, genomen in de tuin aan het zuiveringsstation met op de achtergrond een van de filtertanks. Foto: Ria Cuynen
De tijd van toen
Op 24 april 1934 wordt Karel geboren in Deurne bij Antwerpen. Als zijn vader aan de slag gaat bij drukkerij Joos, verhuist het gezin naar Turnhout, naar de Rerum Novarumlaan op de hoek met de Kongostraat. Karel volgt les aan de vakschool in de Zandstraat en studeert er af als elektrieker. Hij werkt korte tijd bij Siegers Elektro en in hun opdracht ook bij sigarenfabriek Alto in de Gierledreef. Daarna krijgt hij een vaste betrekking bij de stad en wordt hij conciërge in de RWZI van de stad Turnhout.
Op 7 augustus 1958 huwt hij met Elvire (officieel Elvira) Page en samen krijgen zij drie kinderen. Zij wonen in de Slachthuisstraat nr. 42, in een huis naast de conciergerie van het slachthuis. Vader Karel gaat dagelijks uit werken in het waterzuiveringsstation dat zich in dezelfde straat bevindt en sinds 1957 in werking is.
De RWZI ligt op een groot terrein tussen de Slachthuisstraat, de Kruisberg en de Muizenvenstraat. Heel het gebied aan de overkant van de Slachthuisstraat is militair domein en oefenterrein voor de rijopleiding van de FRAC (Formation Rationnelle Accélérée des Chauffeurs).

1: Zuiveringsstation
2: Kruisberg
3: FRAC
4: Kazerne Majoor Blairon
Luchtfoto omgeving waterzuiveringsstation Foto:Geschiedenis Kazerne Majoor Blairon & OCNr3 deel I van 1938 tot 1980 p.81 - Marcel De Wilde
Deze open ruimte rijkt tot aan de Philipsfabrieken. Het hele terrein is 2 ha 59 a 5 ca groot en is bijna volledig omheind met lage, in baksteen opgetrokken paaltjes die met elkaar verbonden zijn door houten balkjes. Aan de inkom op de Slachthuisstraat 62 staat een grote poort die nooit op slot gaat. Van veiligheidsvoorzieningen is nog geen sprake. Een kind kan met gemak over de omheining kruipen en camerabewaking bestaat nog niet.

Waterzuiveringsstation met achteraan zicht op de Philipssite Foto: Leo Maes
Op het schema (zie beschrijving waterzuiveringsproces) is de invulling van het domein duidelijk aangegeven:
- de zuiveringsinstallatie met verzamelbekkens en slibvloer;
- het werkhuis of atelier met allerhande materialen in pompgebouw 2 (zie nr. 4 op het schema);
- den buro gebouwd op de elektrische bedieningsinstallatie in het pompgebouw 1. Hij doet eveneens dienst als refter, als ontmoetingsplaats en als schuilplaats bij slecht weer. (zie nr.1 op het schema);
- de moestuin met kippenhok en fruitbomen;
- de conciërgewoning.
Samen met 3 collega’s staat vader Cuynen in voor het volledige onderhoud van de zuiveringsinstallatie en het domein: toezicht houden op de werking, meermaals per dag pompen en kleppen open en toe draaien, kruiwagens gevuld met slib afvoeren, herstellingen uitvoeren, schilderen, lassen, gras maaien, gebouwen en wegen onderhouden … en dit non-stop, 24 uur op 24, 7 dagen op 7.
In 1960 wordt op het domein van de RWZI een grote nieuwe conciërgewoning gebouwd met op de eerste verdieping vier slaapkamers en een kleine badkamer. Op het gelijkvloers bevindt zich een lange gang met aan één zijde een eetkamer en keuken en aan de andere kant een salon. Later komen er in de tuin nog een garage en een houten hok bij. In 1961 neemt het gezin Cuynen zijn intrek in deze woning en wordt Karel tot conciërge benoemd. Voortaan is hij dag en nacht verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de RWZI. Vaste vrije dagen kent hij niet. Eenmaal per jaar neemt hij 14 dagen vakantie en wordt hij vervangen door een van zijn medewerkers. Uitzonderlijk neemt hij een dag vrijaf voor een familiefeestje of een andere heel dringende gelegenheid, nadat hij eerst een van zijn collega’s bereid vindt zijn permanentie over te nemen.
Het immens grote domein van de RWZI is voor de kinderen Cuynen, hun vriendjes en vriendinnetjes een pracht van een speelterrein dat voor hen geen geheimen kent. Aan het terras aan de achtergevel van de conciërgewoning bevond zich de tuin die uitgaf op een uitgestrekte weide met in de verte de waterzuiveringsinstallatie. De voorkant van het huis keek uit op een grote weide die verder liep aan de overkant van de straat. Behalve de schommel, de goal en het volleybalnet zijn het vooral de slibvelden en de grote verzamelbekkens van de RWZI die hen inspireren om allerlei kattenkwaad uit te halen. Met hun fiets crossen ze op en neer tussen de grote tanks, slingeren ze tussen de waterreservoirs waar ook al weleens een verloren voetbal in zwemt en glijden ze uit in de slibvelden. Natuurlijk zit er een vlieg aan de lamp als ze vies en stinkend thuiskomen! In het grote atelier vol materialen, werkgerief en nog veel meer, voelen ze zich als een visje in het water. Hoe dikwijls hebben ze hier niet hun fietsen helemaal uit elkaar gehaald en hersteld?
Natuurlijk moet er tijdens de vakantieperiode ook geholpen of beter gezegd gewerkt worden. Achteraan op het domein bevinden zich een moestuin, een kippenhok en een aantal kriekenbomen, groot genoeg om de vier werknemers van de RWZI en hun gezin te voorzien van aardappelen, groenten, fruit en eieren. Aardappelen rooien, erwten doppen, snijbonen door het molentje draaien, krieken ontpitten … niets is hen vreemd en al wordt er niet altijd met evenveel goesting gewerkt, het zorgt wel voor leuke herinneringen. Vooral het gedoe met de vele paaskuikens die elk jaar weer in een met tuindraad afgemaakt stuk achter de chauffageketel opgroeien en enkele maanden later gepluimd worden, staat voor altijd in het geheugen gegrift.
Het domein van de RWZI grenst aan de FRAC, het oefenterrein van de soldaten-vrachtwagenchauffeurs in opleiding. Zij leren er bochten nemen op het eerste rondpunt van België, nl. de Kruisberg die er toen net hetzelfde uitzag als nu, weliswaar een beetje hoger. Ook een helling nemen op de speciaal daartoe geconstrueerde zandberg zorgt voor het nodige spektakel. Geen wonder dat de kinderen Cuynen uren in de buurt van de omheining rondstruinen. Soms worden ze er aangesproken door een van de rekruten: of ze tegen betaling een ijsje of sigaretten willen gaan kopen in het VIVO-winkeltje op de hoek van de Gierlesteenweg, bij Gusta of bij haar opvolgster Norma. De lege bierflesjes, door de soldaten over de omheining gegooid, verzamelen ze graag en ruilen ze in voor een extra zakcent.

Soldaten in opleiding leren wat een rondpunt is. Foto: Geschiedenis Kazerne Majoor Blairon en OCNr3 deel II van 1981 tot 1999 p.20 Marcel De Wilde
Veranderende tijden
In 1982 neemt het IOK, de intercommunale ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen , het waterzuiveringsstation over. Karel blijft er werken tot in 1986. Daarna wordt hij magazijnverantwoordelijke in de stadsmagazijnen van Turnhout gelegen aan de Guldensporenlei (nu aan de Everdongenlaan). In 1996 gaat hij met pensioen.
Leo Maes neemt in 1986 de taak van Karel op het waterzuiveringsstation over. In 1989 verhuist Leo naar de conciërgewoning. Hij blijft er wonen tot aan zijn pensioen op 1 september 2023. De woning wordt eind 2023 afgebroken.
In 1984 neemt de VMM of Vlaamse Milieumaatschappij de fakkel over en vanaf 1986 wordt ook het rioolwater van Arendonk en Oud Turnhout in Turnhout gezuiverd. Sinds 1994 beheert Aquafin de waterzuivering. De industriële activiteit in Turnhout nam toe en de waterzuivering kon dit proces niet volgen waardoor de RWZI overbelast werd.
Tussen 1960 en 1993 gebeurde de zuivering van het water met oxidatiebedden. Nadien werden die afgebroken en sinds het jaar 2000 gebeurt de zuivering met beluchtingsbekkens.
Oxidatiebedden gaven soms extra geuroverlast omdat de buitentemperatuur en de watertemperatuur dicht bij elkaar kwamen te liggen en er geen natuurlijke tocht in het oxidatiebekken kwam. Dit fenomeen deed zich meestal voor bij de overgang van de zomer naar de winter en omgekeerd. Nu is er dankzij de moderne technieken een constante luchtstroom aanwezig in de beluchtingsbekkens en is de RWZI groter gedimensioneerd dan de reële aanvoer.
Het waterzuiveringsproces

Plattegrond Foto: Leo Maes
Het huishoudelijk en bedrijfsafvalwater stroomt langs een diep gelegen rioolstelsel de pompkelder (1) binnen. Daar wordt het grof vuil (stokken, blik, lompen) verwijderd om beschadiging en verstopping van de pompen te voorkomen. Daarna wordt het rioolwater ongeveer zeven meter hoog opgepompt naar een zandvanger (2) waarin het zand kan bezinken.
Het water komt dan via een centrale kolom in de flocculatieruimte (flocculatie of vlokvorming is een proces waarbij deeltjes zich aan elkaar hechten in een losse structuur) en vervolgens in de voorbezinktank (3) waar de opgeloste organische stoffen voldoende tijd krijgen om naar de hellende bodem te zinken. Een ronddraaiende brug schraapt de op de bodem liggende organische stoffen af die vervolgens worden afgevoerd.
Het overloopwater dat de voorbezinktank verlaat, bevat nu nog onopgeloste en zwevende stoffen. Deze organische verontreinigingen worden afgebroken door toevoeging van zuurstof.
Deze zuivering gebeurt op de oxidatiebedden, ook biologische filters genoemd.
Via de circulatie-pompkelder (4) wordt het water naar de sproeiarmen van vier oxidatiebedden (5) gestuurd. Deze zijn gevuld met een dikke laag filtermateriaal (lava). Het water zet op de lava een slijmlaag af die de verontreinigingen opneemt en de ideale voedingsbodem is voor en de ontwikkeling van de micro-organismen, die via natuurlijke ventilatie (zuurstof) zorgen voor de afbraak.
Het slib dat zich in het lavabed vormt, wordt door de spoelwerking van het water meegevoerd om vervolgens in de nabezinktank (6) te bezinken en nadien verder afgevoerd te worden .
Het overblijvende water, effluent genoemd, is nu voor 95% gezuiverd en verlaat het zuiveringsstation naar de Aa.
Het slib moet nog een behandeling ondergaan in een gistingsinstallatie (7) om het volume te verminderen en het tevens milieuvriendelijk te maken.
Het uit dit gistingsproces geproduceerde gas (methaan en koolzuur) wordt gestockeerd en gebruikt voor de verwarming van de gistingsinstallatie en de bedrijfsgebouwen.
Het uitgegiste slib komt vervolgens terecht op de slibdroogbedden (8) waar de verdere droging gebeurt door zon en wind.
Na deze natuurlijke droging is het slib geschikt als meststof voor de landbouw.

Slibdroogbedden Foto: Leo Maes
Datum publicatie: maart 2025
De Spaanse griep in Turnhout
en zijn ingrijpende gevolgen hiervan voor de familie Proost
Rainer Adriaensen en Gil Tack
Inleiding
Hoewel men van de Spaanse griep spreekt, ligt de oorsprong van deze ziekte naar alle waarschijnlijkheid in de Verenigde Staten. Het ging aanvankelijk om een vrij onschuldig virus, dat besmette personen niet heel ziek maakte. Amerikaanse soldaten brachten het echter in 1918 (?) naar Europa. Het virus muteerde en leidde tot een levensbedreigende ziekte die uitgroeide tot een pandemie. Men schat dat ongeveer 20% van de totale wereldbevolking besmet raakte, met naar schatting tussen de 20 en 40 miljoen doden tot gevolg.
De ziekte begint met hoge koorts, spierpijn, hoesten en keelpijn, gevolgd door extreme moeheid, flauwtes en een gebrek aan energie. Dikwijls treden buikloop en longontsteking als verwikkelingen op. Er bestond in die tijd geen afdoende medicatie om de ziekte te behandelen en vele, door de oorlog erg verzwakte, mensen stierven.
Mondkapjes als bescherming tegen de Spaanse griep in Londen. Uit: www.plaizier.be
De Spaanse griep in Turnhout
Ook Turnhout wordt door de ziekte getroffen. Nochtans is er in de Turnhoutse stadsverslagen en kranten niets over te vinden. Volgens het dagboek van Eugeen Waterschoot telt elk huisgezin één of meerdere zieken. Tussen 8 en 28 november 1918 bereikt de ziekte haar hoogtepunt in de stad. De ergste week is die van 15 tot 21 november met tweeëndertig overlijdens. Nadien neemt het aantal sterfgevallen van week tot week af. Veel zieken sterven gewoon thuis. Via Rainer Adriaensen, zoon van ons bestuurslid Erika Wouters, komt Het Bezemklokje twee slachtoffers van de ziekte op het spoor. Het zijn Rainers betovergrootouders. Maria Josephine Philomena Staes, geboren in Turnhout op 13 februari 1867, sterft op 13 november 1918 om 4 uur in de Patriottenstraat. Een uur later sterft ook haar echtgenoot Joannes Franciscus Proost, geboren in Turnhout op 20 mei 1861. Zij is 51 jaar, hij 57. Beiden worden tijdens hun ziekte verzorgd door de Duitse nonnen uit de Otterstraat, die in Turnhout sinds 1880 de ziekenzorg op zich nemen. Vanuit hun christelijke visie negeren zij, net als de gasthuiszusters in het Gasthuis, alle besmettingsgevaar. Het zijn dezelfde ziekenzusters die het echtpaar waarschijnlijk samen in bed afleggen en opbaren.
Het echtpaar Proost-Staes opgebaard in het echtelijke bed. Foto Rainer Adriaensen.
Het gezin Proost
Het koppel Proost-Staes is in Turnhout getrouwd op 25 augustus 1886. Josephine Staes, naaister van beroep, is op dat moment 19 jaar en dus minderjarig. Haar vader is overleden, daarom is het haar moeder Christina Mallefet die toestemming geeft voor het huwelijk. Joannes, garenverver van beroep, is 25 jaar en bejaarde, waarmee meerderjarige wordt bedoeld. Hij is de zoon van Adrianus Proost, die eveneens garenverver is. Joannes heeft ook voldaan aan de militiewetten, op dat moment nog volgens het lotelingensysteem.
Aanvankelijk woont het echtpaar in de Otterstraat en werkt Joannes Franciscus als garenverver bij weverij Vueghs op de Gierlesteenweg.
Het gezin Proost-Staes voor 1907. Het jongste kind Cyriel is dan nog niet geboren. Foto van Rainer Adriaensen.
Daar heeft hij, zoals in de familie wordt verteld, een machine uitgevonden die het productierendement ten goede komt. Het is mogelijk dat hij daarvoor van zijn patroon een vergoeding heeft gekregen. In 1905 blijkt Joannes Franciscus immers vermogend genoeg om een groot stuk grond op de hoek van de Patriottenstraat, Spoorwegstraat en Ieperstraat te kopen. Hij laat deze grond verkavelen en bouwt er als investering een aantal kleine werkmanswoningen, die hij verhuurt.
Enkele huizen in de Patriottenstraat, gebouwd door Joannes Franciscus Proost. Foto: Het Bezemklokje.
Zelf betrekt het echtpaar het huis op de hoek van de Patriottenstraat en de Spoorwegstraat, nu een appartementsgebouw in gele gevelsteen uit de jaren zestig. In dit pand baten zij een kruidenierswinkel uit en het is daar dat zij sterven in het bijbehorende woongedeelte. In alle akten wordt Joannes vermeld als garenverver behalve in 1902 bij de geboorte van Leopoldus, dan wordt als beroep winkelier genoteerd. Op dat moment woont het gezin echter nog niet in de Patriottenstraat. Baat zijn echtgenote misschien al een winkeltje uit in de Otterstraat?Joannes Franciscus zingt ook in het koor van de in 1906 in gebruik genomen Heilig Hartkerk. Voor de eucharistieviering zingt dit koor het Ora pro nobis, een gebed tot Jezus om in de Hemel bij God voor de zondaars te bidden en te pleiten. Hieraan dankt Joannes zijn bijnaam: de Nobis. Waarom hij als enig koorlid die bijnaam krijgt, is niet bekend.
Na het overlijden van de ouders
De overleden ouders laten twee minderjarige kinderen achter: de 15-jarige Joannes Leopoldus, geboren op 8 mei 1902 en de 11-jarige Adrianus Petrus Cyrillus, geboren op 9 september 1907.
Het gezin Proost met slechts enkele van hun kinderen. Foto Rainer Adriaensen.
Zij krijgen een voogd toegewezen. Dit is Petrus Josephus Hoyberghs, een aannemer uit de Mermansstraat, getrouwd met Lucia Maria Josephina Staes. Zij is de zuster van hun overleden moeder. Er wordt ook een toeziende voogd aangesteld. Dit is Franciscus Ignatius Proost, fabriekswerker, broer van hun overleden vader en naamgenoot van de kinderen. Het idee erachter is waarschijnlijk dat een aannemer financieel beter voor de kinderen kan zorgen dan een fabriekswerker.
Uit: Notariële Akte, 20 oktober 1920 over de verkoop van een van de huizen uit de erfenis van het echtpaar Proost-Staes. De voogden van de twee minderjarige kinderen zijn vermeld.
In totaal telt het gezin echter 13 kinderen. Vier sterven er als baby. De eerstgeborene in 1888 is Anna Maria; zij sterft na een half jaar. Dikwijls is een eerste bevalling risicovol, zowel voor de baby als voor de moeder. Na Anna Maria worden een aantal kinderen gezond geboren, maar bij het negende, een jongen, Aloysius Leopoldus, geboren eind 1899, gaat het weer mis; hij sterft na 5 maanden. Ook het tiende kind, het meisje Maria Catharina Theresia, geboren in 1901, sterft na 5 maanden. Theodorus Aloysius, de voorlaatst geborene in 1903, sterft na 4 maanden. De kindersterfte is nog altijd hoog rond de eeuwwisseling. Zuigelingen zijn kwetsbaar voor infecties en de door hoge koorts bijhorende stuipen. Na het overlijden van een kind volgt er meestal het volgende jaar al een nieuwe geboorte. Dit komt doordat, wanneer de borstvoeding wegvalt, de moeder opnieuw vruchtbaar wordt en er zonder geboortebeperking een nieuwe zwangerschap aankomt. Dit is ook te zien bij de opeenvolgende geboorten in het gezin Proost-Staes: Anna Maria sterft in 1888, Joannes Baptist wordt geboren in 1889, Aloysius Leopoldus sterft in 1900 en Maria Catharina wordt geboren in 1901. Na Theodosius Aloysius die in 1904 sterft, wordt Adrianus Petrus Cyrillus pas geboren in 1907. Een mogelijke verklaring voor dit langere interval is de beginnende overgang bij Josephine Staes, waardoor de ovulaties onregelmatiger worden, maar een volgende zwangerschap mogelijk blijft.
Bij het overlijden van de ouders in 1918 is enkel de oudste zoon Joannes Baptista getrouwd. Het huwelijk met Maria Catharina Michielse vindt plaats op 9 april 1913. Joannes, roepnaam Jan, is de grootvader van de overleden stadsarchivaris Harry de Kok. De andere kinderen treden pas later in het huwelijk, behalve Maria Juliana, die zuster onderwijzeres wordt bij de Annunciaden in Geel. Zij stond heel haar carrière in de hoogste klas, in die tijd het achtste leerjaar. Verschillende van de getrouwde paren uit de familie Proost volgen hun geliefde en trekken uit Turnhout weg. Josephine, roepnaam Fien, trekt naar Tilleur, Adrianus, roepnaam Jaan, naar Hove en Adrianus Petrus Cyrillus, roepnaam Cyriel, naar Luik, waar hij bij Cockerill werkt. Joannes Edmondus, roepnaam Mon, is een buitenbeentje. Drie jaar na zijn huwelijk in Le Havre met Georgette Monnier volgt een echtscheiding, een zeldzaamheid in die tijd. Zijn ex-vrouw blijft in Frankrijk, hij keert naar België terug en hertrouwt 3 jaar later in Tongeren met Elisabeth Merken.
Naast Jan, de oudste zoon, blijven ook Joannes Baptist, roepnaam Jos en Joannes Leopoldus, roepnaam Pol, na hun huwelijk in Turnhout wonen. De twee broers gaan in 1921 een dubbel huwelijk aan met twee zusters: Jos Proost met Anna Jansen, Pol Proost met Mathilde Jansen. Jos is de overgrootvader en Anna de overgrootmoeder van Rainer Adriaensen. De twee echtparen kopen elk een van de vroegere huizen van hun vader: Jos en Anna het huis met (huidig) nummer 4 in de Patriottenstraat, Pol en Mathilde het huis met (huidig) nummer 36 in de Spoorwegstraat.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Jos waarschijnlijk bij de Witte Brigade. Op 27 september 1944, wanneer de Duitsers zich na de bevrijding van Turnhout achter het kanaal hebben teruggetrokken, gaat hij samen met zijn broer Pol aan het einde van de Tichelarijstraat kijken of er nog Duitsers zijn achtergebleven. Het loopt slecht af voor hem, want een Duitser schiet hem door het hoofd. Jos ligt daarom als oorlogsslachtoffer begraven op het oude kerkhof in de Kwakkelstraat en krijgt waarschijnlijk binnenkort ook een struikelsteen in Turnhout.
Graf van Franciscus Proost en Maria Staes op de begraafplaats in de Kwakkelstraat. Foto Rainer Adriaensen.
Bronnen
- Stadsarchief Turnhout, geboorteaktes nrs. 158 (1861), 65 (1867), 763 (1902), 578 (1907), 88 (1888), 763 (1899), 301 (1901), 572 (1904).
- Stadsarchief Turnhout, huwelijksakte nr. 79 (1886).
- Stadsarchief Turnhout, overlijdensaktes nrs. 402 en 403 (1918), 294 (1888), 202 (1900), 348 (1901), 33 (1904).
- Dries, R. (2018). De Grooten oorlog: deel 17. Het Bezemklokje, 36, 20-21.
- Tack, G. (2022, p. 171). Leven & werken in de Kempen: De eerste fabriekswerkers tussen 1870 en 1886. Brepols.
- Tack, G. & Wouters, E. (2018, pp. 22 en 89). Trouwen in Turnhout. Het Bezemklokje.
- Heemkundekring TurnhoutVan Dooren, K. (2013, p. 92). Allemaal Binken, Turnhout.